SponsorKliks, gratis sponsoren!

Uitgifte van de Gemeint

Afdrukken

Jan III, hertog van Brabant, geeft aan de lieden van Heesch de gemene gronden te Heesch uit tegen een voorlijf van 130 pond Leuvens en een jaarlijkse erfcijns van 6 pond Leuvens.

ORIGINEEL:
Nos Johannes dei gratia Lotharingiae Brabantiae et Lijmburgiaedux notum fieri volumus protestantii quod nos hominibus villae nos-trae de Hees, ob nostram et ipsorum utilitatem dedimus et damusper praesentes communitatem dictae villae de Hees, in mericis, pa-ludibus et in aliis quibuscumque tam in humidis, quam in siccis con-sistentem infra ipsam villam et circa eandem iacentem usque ad li-mitationes communitatum aliarum vllarum circumiacentium ab ipsisiure hereditario perpetue obtinendam et habendam ad communemusum eorum pro centum et triginta libris Lovaniensibus, nobis no-mine prelivii dicti vulgariter voerlieff ab iis traditis et solutis, et proannuo et hereditario censu sex librarum Lovaniensium nobis, et postnos nostris heredibus et successoribus a dictis hominibus villae de Hees, pro dictis eorum communitatibus reddendis et solvendis, annoquolibet in dicta villa de Hees, eo termino, quo reliqui census nostriibidem sunt solvendi. Et indulgemus ac concedimus dictis hominibusvillae nostrae de Hees, pro relevatione eorundem, quod ipsi, de dictis eorum communitatibus, tam in una parte vel in pluribus simul etsuccessive, sicut placuerit, aut pro ut sibi magis erediderunt expedire, non vocando nec requirendo ad hoc nos, vel nostros officiatos,vendere et exhibere ulterius pro annuo et hereditario censu, liberevaleant, de quanto ipsi dictam summam, centum et triginta librba-rum Lovaniensium, nobis ab iisdem nomine praelevii, pro dictis communitatibus solutam recepiant et de quanto ipsi anno quolibetsex libras Lovanienses annui et hereditarii census percipiant et obti-neant in subsidium solutionis dicti annui census sex librarum Lova-niensium nobis annuatim ab ipsis pro dictis communitatibus solven-darum, praemissa vero omnia et singula pro ut superius sunt con-scripta promittimus pro nobis, nostrisque post nos heredibus et suc-cessoribus dictis hominibus seu communitatibus dictae villae nostraede Hees eorumque heredibus et successoribus in perpetuum inviola-biliter observare et ut omnia et singula praescripta maiorem obtine-ant securitatem has litteras nostri sigilli munimine fecimus commu-niri in testimonium supra eo rogantis insuper dilutos milites et fide-les nostros Ottonem Dominum de Kuijc et de Everlee, Rogerum deLevendale castellanum Bruxellensem, Rodolphum Pipenpoij domi-num de Blaersfelt senescallum nostrum Brabantiae, et Hendricus deOs camerarium nostrum dilectissimum quatenus sua sigilla his literisuna cum sigillo nostro in testimonium apponant omnium praemisso-rum. Et nos Otto dominus de Kuijc et de Everle, Rogerius de Leven-dale castellanus Bruxellensis, Rudolphus Pijpenpoij de Blaesveltseneschallus Brabantiae et Hendricus de Os camerarius, milites etfideles domini nostri ducis praelibati, ad ipsius requisitionem sigillanostra, una cum sigillo suo in testimonium omnium praemissorum,praesentibus litteris fuerunt appensadatum et actum Lovanii feria tertia ante festum beati Lucae Evange-listae Anno Domini millesimo trecentesimo vicesimo nono
VERTAALD:
Wij Johannes bij de gratie Gods hertog van Lotharingen, Brabant en Limburg willen bekend maken dat wij aan onze lieden van ons dorp Hees, teonzer en hunner gebruik hebben uitgegeven en bij deze uitgeven de gemeint van het genoemde dorp Hees, bestaande uit bouwland, woeste gronden en andere waar dan ook gelegen, zowel natte als droge gronden, gelegen binnen genoemd dorp tot aan de grenzen van de gemene gronden van de andere naburige dorpen, om door hen rechtens erfelijk en eeuwig verkregen en gehouden te worden tot hun gezamelijk gebruik, tegen een praelevium (=vóórheffing/voorlijf) doorgaans genaamd voerlieff van 130pond Leuvens te onzer name, door hen over te dragen en af te lossen, entegen een jaarlijkse en erfelijke cijns van 6 pond Leuvens aan ons en na ons aan onze erven en opvolgers door genoemde lieden van het dorp Hees voor hun gemene gronden over te dragen en af te lossen, jaarlijks op dezelfde wijze en op dezelfde termijn als onze andere cijnzen in het ge-noemde dorp Hees gelost moeten worden. En wij staan genoemde lieden van ons dorp Hees toe en stemmen ermee in, dat zij te hunner behoeve, van hun genoemde gemene gronden, één of meerdere delen, tegelijk ofsuccessievelijk, als het hun bevalt of als zijzelf meer besluiten te vervreemden, mogen verkopen en meer uitgeven tegen een jaarlijkse en erfelijkecijns, zonder aan ons of onze beambten toestemming te hoeven vragen.Dat zij mogen bepalen wanneer zijzelf genoemde som van 130 pond Leuvens aan ons als voorlijf  voor genoemde gemene gronden beginnen af te lossen, en wanneer van hen jaarlijks de jaarlijkse en erfelijke cijns van 6pond Leuvens ontvangen en verkregen wordt ter betaling van genoemdejaarlijkse cijns van 6 pond Leuvens, aan ons jaarlijks door hun voor genoemde gemene gronden te voldoen. Wij beloven genoemde lieden of in-woners van genoemd dorp Hees en hun nazaten en opvolgers, het voorafgaande werkelijk in zijn geheel, overeenkomstig met hetgeen tevoren is opgesteld, voor ons, de onzen en na ons onze erven en opvolgers, eeuwigonverbrekelijk en onherroepelijk te onderhouden en om al hetgeen voorschreven staat meer zekerheid te verlenen hebben wij ter getuigenis dezebrieven bekrachtigd met ons zegel en hebben wij daarenboven onze goederidders en getrouwen Otto, heer van Kuijc en Heverlee, Rogier van Leefdaal, burggraaf van Brussel, Roelof Pipenpoij, heer van Blaersveld, onzeseneschalk van Brabant en Hendrik van Os, onze zeer gewaardeerde ka-merheer om aan deze brieven hun zegels samen met het onze te bevestigen ter getuigenis van al het voorafgaande.En wij  Otto, heer van Kuijc en Heverlee, Rogier van Leefdaal, burggraafvan Brussel, Roelof Pijpenpoij van Blaersveld, seneschalk van Brabanten Hendrik van Os, kamerheer, ridders en getrouwen van onze heer de hertog, hebben op diens verzoek onze zegels samen met het zijne aan deze brieven bevestigd ter getuigenis van al het voorafgaande.

Akte Leuven d.d. 3 dagen voor de feestdag van St. Lucas Evangelist (=18 oktober) in het jaar des Heren 1329 = 15 oktober 1329

Het origineel charter is verloren gegaan. Een afschrift ervan berust in een compilatie van `Pootchaarten en Uitgiften van Gemeentens´ (fol. 314v-315v) in het Archief van de Leen- en Tolkamer in het Rijksarchief te ´s-Bosch.
Bron: R.A.N.B., Archief van de Leen- en Tolkamer over de stad en Meierij van ´s-Hertogenbosch (1605-1795)
Lees meer...
 

Bestuurlijke geschiedenis Heesch

Afdrukken

In tegenstelling tot nabijgelegen dorpen als Geffen, Nuland, Berlicum, Lith, Lithoijen, Megen etc. en de dorpen in het latere land van Ravenstein heeft Heesch nooit een eigen heer gekend, maar altijd rechtstreeks onder de landsheer geressorteerd, in dit geval de Hertog van Brabant.
Deze was voor zijn hertogdom alleen leenplicht verschuldigd aan de Duitse keizer.

De hertog bezat in Heesch de hoge en lage justitie, het patronaatsschap van de parochiekerk en het tiendrecht. Reeds in de 12e eeuw zien we dat de hertog zijn tiendrecht in leen uitgeeft aan zijn nieuwe vazal Hendrik van Cuijk. De hertog bezat daarnaast ook het windrecht en wildregaal.
In de 14e eeuw geraken deze geleidelijk in andere handen. In 1329 geeft Hertog Jan III van Brabant de gemene gronden in Heesch uit aan de lieden van Heesch tegen een bedrag van 130 pond Leuvens en een jaarlijkse erfcijns van 6 pond Leuvens; in 1355 geeft hij aan Alard van Oss het gemaal (windrecht) in Oss c.a. waaronder ook Heesch. Deze mocht vervolgens ingenoemde dorpen zogenoemde dwangmolens oprichten, d.w.z. alleen daar mocht men zijn graan malen.

In 1386 beleent hertogin Johanna van Brabant de kwartierschout van Maasland, Jan Roeverszn. van Vladeracken met de vorsterijen en schutterijen van Oss met Berghem, Heesch, Nistelrode en Lithoijen en het schrijfambt van Maasland, waaronder ook Heesch viel (1).
Ook het gruitrecht in Oss, Berghem, Heesch en Nistelrode, een heffing op het bier, van oorsprong een hertogelijk recht, kwam in particuliere handen: in de 17e eeuw was het in handen van de familie Van Daverveld.
Uiteraard was de hertog voor het toezicht op bestuurlijke aangelegenheden in deze gebieden afhankelijk van zijn ambtenaren. Het hertogdom Brabant was onderverdeeld in een aantal bestuurseenheden. Stad en Meierij van ´s-Hertogenbosch was wel de meest noordelijke. Hier had de hertog een hoofdschout als zijn vertegenwoordiger aangesteld, die niet alleen belast was met het bestuur in deze gebieden, maar ook met hoge (o.a. halszaken) en lage justitie in de stad ´s-Bosch en in die plaatsen, welke rechtstreeks onder de hertog ressorteerden of alleen een lage heerlijkheid kenden.

De meierij was weer onderverdeeld in 4 kwartieren, Maasland, Peelland, Kempenland en Oisterwijk, ieder bestuurd door een kwartierschout. In het kwartier Maasland, waartoe ook Heesch toe behoorde, had de kwartierschout zijn zetel te Oss. Hij was belast met het bestuur en de lage justitie in de omliggende dorpen. Hierin werd hij bijgestaan door de diverse schepenbanken. In het begin zat hij de vergaderingen nog zelf voor en leidde hij de gedingen in de zg. dingbank (processen).
Door uitbreiding van zijn taken zag hij zich echter genoodzaakt in de afzonderlijke dorpen plaatsvervangers, stadhouders te benoemen die in zijn naam de vergaderingen voorzaten. Reeds in de 14e eeuw blijkt Heesch een eigen schepencollege te hebben gehad. Dit college bestond, voor zover we na kunnen gaan steeds uit 7 personen, waarvan één president-schepen.

Inkomsten en uitgaven van het dorp werden gecontroleerd door zg. borgemeesters, 2 in getal, die ieder jaar een rekening dienden te overleggen en verantwoording verschuldigd waren aan de schepenen. De zorg voor de sociaal zwakkeren was in handen van de Tafel van de Heilige Geest ook wel Armentafel genoemd, die onder bewind stond van 2 Heilige Geest- of Armmeesters. Ook dezen dienden verantwoording af te leggen aan de schepenen.
 
Na 1648 dienden ook de kerkmeesters die eerst samen met de pastoor het financieel beheer hadden van parochie en kerk, een rekening in te dienen bij het schepencollege.
De schepenen werden gerecruteerd uit de eigengeërfden van het dorp, zij die niet armlastig waren en een bepaald minimum aan grond bezaten.
Daarnaast waren er de gezworenen, bestaande uit oud-schepenen die in gewichtige zaken mee dienden te beslissen. Schout en schepenen, borgemeesters, armmeesters, kerkmeesters, gezworenen en geerfden vormden gezamelijk het Corpus van het dorp, een vergadering die bijeengeroepen werd bij bijzondere gelegenheden: oorlog, aangaan van leningen e.d..

De schepenen werden bij de uitoefening van hun taken bijgestaan door de secretaris die al hun handelingen en besluiten op schrift diende te stellen, doch die aangezien het een particulier ambt betrof, geen of bijna geen verantwoording verschuldigd was, en de vorster of gerechtsdienaar, tegelijk schutter, die zorgdroeg voor de openbare orde, bode was voor het college en zorgdroeg voor het schutten van het vee. Ook dit ambt was in particuliere handen.

De diverse belastingen, op het hoornvee, diverse gewassen e.d. werden uitbesteed aan particulieren tegen een vantevoren vastgestelde pachtsom.
Uiteraard probeerden dezen er meer uit te halen dan ze erin gestoken hadden, een zeer lucratieve bezigheid!
Bij het aangaan van grote werken, brand, oorlog en ander onraad moest men uiteraard de hulp inroepen van de (mannelijke) inwoners, de ´gemeijn nabueren´. Met het doel deze zo snel mogelijk te mobiliseren had men het dorp verdeeld in een aantal buurtschappen, rotten. De leiding van ieder rot werd in handen gegeven van zg. rotmeesters. Heesch kent van oudsher 11 rotten.

1) R.A.N.B., Archief van de erfsecretarie van Maasland 15

 

Bestek Nieuwe School Heesch 19-12-1768

Afdrukken

Art: 1 Bestecq en conditie waar naar Heeren officier en regenten deses dorps en dingbanks van Heesch publicq en voor alle man aan den minst aanneemende sullen aanbesteeden, het maken van een nieuwe school, so en in dier voegen als hier naar is volgende.
Den aanneemer sal de oude muur der oude school moeten afbreeken en sal de oude steenen in de fondamenten der nieuwe school mogen gebruijken, en verders geen oude materialen dan alleen de oude schrijftaaffel, en bank agter de selve, als meede de eijke palen daar de voorschreven taaffel en banck op staat als ook den ouden lessenaar en stoel, sullende de anderen afbraak sijn ten profijte van de Gemeente

Art: 2
Den aanneemer sal de nieuwe school moeten setten, met de noordsijde op de kerkmuurtegen over het huijs, daar het hem sal worden aangeweesen, En sal deselve moeten aanleggen lang binnewerk 29 voeten, en breed binnewerk 18 3/4 voeten, De fondamenten diep in de grond, Na dat deselve alvorens wel en ter degen vast gestampt is diep 30 duijm en dik 2 1/2 mopsteen Potiets, en telkens snijden alle vier lagen, dat deselve 6 duijm onder den grond ter dikte van 1 1/2 steen bevonden word, dan vervolgens opmetselen ter dikte van een mopsteen, Hoog boven de grond 9 1/2 voet, En sal de rollaag van de kerkmuur so verre moeten afbreeken, en meede in een goed verband moeten opmetselen ter gelijke hoogte van 9 1/2 voet, asl meede den muur in ´t westen onder den schilt alle van gelijke hoogte en dikte.

Art: 3 Den aanneemer sal den gevel in ´t oosten soo hoog moeten opmetselen, dat die 4 duijm boven het strooije dak komt te bereijken en met bekwaame vlegtingen, asl meede den schoorsteen daar wel in verbonden, ter dikte van eene mopsteen Potiets, den boesem van de schouw van bovensteen alle naar den eijs van ´t werk.

Art: 4 Den aanneemer sal in voorschreven sijmuuren en gevels moeten maken de noodige bolkosijnen een deurkosijn, vensters en glasramen, te weeten 7 bolkosijnen, met haar vensters en glasraamen, waartoe hij sal moeten gebruijken de stijlen en bovendorpels greijnen en de onderdorpels eijken alle van 4 en 6 duijm, Hoog in den dagh 40 duijm, en breed in den dagh ieder ligt 24 duijm. Alle met 5/4 duijms gat en pinnen door den anderen gewerkt, en opsluijten met 3/4 duijms houte treknagels, als meede goede en bekwame sponne voor de glasramen.

Art: 5 Den aanneemer sal in dese voorschreven bolkosijnen moeten maken de noodige vensters waartoe sal moeten gebruijken een duijms vuure deelen, regt gestreeken en digt in den anderen geploegt, de klampen van greijne saagde deelen breed 9 ende steekklampen breed 5 1/4 duijm, alle glat geschaaft en voorsien met een 3/4 duijms aijef in´t versteeg, naar den eijs, wel gespijkert met 4 lbse sluijpers, niet wijder van den anderen als drie duijm, deselve afhangen met duijm gehengen lang 12 duijm en van bekwaame swaarte, ieder agter met een goede klinknagel voorsien, en sluijten met grendel en knipslooten van no2, wel gespijkert als meede de nodige haaken buijten in de muur om de vensters voor het toewaaijen vast te setten na den eijs van´t werk

Art: 6 Den aanneemer sal nog moeten maken in de voorschreven bolkosijnen de nodige glasraamen de buijtenregels greijnen, breed 2 1/8 en dik 5/4 duijm blijvens hout, de spijlen wageschot (wagenschot = rechtdradig en gladde eiken planken gezaagd uit over de vollelengte gekloofde stukken, uit: Verdam, Middelnederlandsch woordenboek) dik 3/4 duijm, ieder glasraam te verdeelen in 3 ruijten breed en 4 hoog, alle met gat en pinnen en met bekwame raamschaven bewerkt naar den eijs van´t werk als meede bekwame sponne voor de ruijten afhangen met beslag duijm gehengen en aan ieder een ijseren ringetjen om open te trekken sluijten met een wervel

Art: 7 Den aanneemer sal nog moeten maken in den gevel

 

Begijnen en geestelijken uit Heesch.

Afdrukken

 

Maria Theresia Godschalcx, dochter van Franciscus Strick, S.T.B.F., zoon van Jan Strick, brouwer en herbergier in `de Roskam´ te Heesch, en Maria Louise van Winterroij, ged. R.K. Heesch 8.2.1700, overl. Heesch 20.4.1762. Hij werd tussen 31.8.1716 en 28.2.1717 ingeschreven aan de universiteit van Leuven voor de artesstudie (pedagogie de Valk). Hij was op dat moment nog minderjarig en niet onbemiddeld. Na voltooiing hiervan ging hij theologie studeren en behaalde het baccalaureaat. In 1721 werd hij rector van de O.L.Vrouwekapel te Uden.
Pastoor van Heesch 1724-1762. Vanaf 1753 tevens deken van het district Oss. In 1744 werd hij door de Staten Generaal geadmitteerd als apostolisch vicaris van ´s-Bosch. De pauselijke nuntius te Brussel, Crivelli, dwong hem echter van deze benoeming af te zien.
Na de dood van vicaris Martinus van Litsenborg werd hij voor de tweede keer kandidaat gesteld, opnieuw zonder resultaat (1). Noten: (1)

Johannes Vos
, zoon van Hendrik Ariens Vos en Maria Kuijpers, ged. R.K. Heesch 5.12.1695, overl. Esch 15.9.1746, begr. Esch 19.9.1746. Zijn vader kocht in 1702 een huis aan de Hoogstraat in Heesch (1) waar Johan ook nog enige jaren woont; ca. 1711 bezocht hij het gymnasium te Teeffelen. Tussen 1.9.1712 en 28.2.1713 werd hij inge- schreven aan de universiteit van Leuven (artes, pedagogie het Varken, dives, minderjarig). In 1718 blijkt hij theologie te studeren (2). Pastoor van Esch 1721-1746. Op 21.2.1747 vindt taxatie van zijn goederen plaats (3);
Noten:
(1) R.A.N.B., R.A. Heesch 16, fol. 187v d.d. 28.11.1702;
(2) R.A.N.B., R.A. Heesch;
(3) R.A.N.B., R.A. Heesch 79, fol. 69v d.d. 21.2.1747.

Theodorus Vos (Dirck), zoon van Arien Hendriks Vos en Jenneken Hendriks, ged. R.K. Heesch 12.9.1665, overl. Esch 1721; studeerde in 1682 aan de Latijnse school te Megen: op 7.5.1682 sluiten de kinderen van Arien en Jenneken een akkoord inzake de nalatenschap van hun ouders: Hendrik en Peter krijgen de gehele boedel in eigendom en moeten de schulden die daarop rusten voldoen; Dirck, hun broer, `nu tot Megen aende Latijnse school zijnde´ moeten zij `laten leeren ende t´selve becostigen tot dat hij de vijffde schoole sal sijn gepasseert´, en hun jongste broer Joost `moeten laeten leeren het cuijper ambacht tot ter tijt en wijle de zelve bequaem sijn hare cost te kennen winnen´; zij moeten hen van kost en kleding voorzien (1); woonde in 1705 te Udenhout als wereldheer: op 9.9.1705 leggen schepenen van Heesch te zijnen behoeve een ver- klaring van bekendheid en goed gedrag af: `de heer Theodorus Vos tegenwoordigh rooms weerelts priester binnen den dorpe vande Uijdenhout, quaertier van Ooster-wijck, meijerije van ´s-Bosch is geboortigh, uijt onse voors. dorpe van Hees, ende van wettige, ende onbesproockenen ouders voort gebracht´ (2);
Noten:
(1) R.A.N.B., R.A. Heesch 15, fol. 64 d.d. 7.5.1682;
(2) R.A.N.B., R.A. Heesch 57, fol. 24 d.d. 9.9.1705.

 

Pagina 3 van 3

<< Start < Vorige 1 2 3 Volgende > Einde >>